v1

"Piet Stront"

v1

  Piet van Engelen uit Vlijmen overleed in juli 1995 op de leeftijd van zesenzestig jaar. De meeste mensen in Vlijmen kende hem uitsluitend met zijn bijnaam “ Piet Stront”. Hij woonde samen met zijn broer Jo in het ouderlijk huis. Jo was hem echter reeds in 1991 op zeventig jarige leeftijd voorgegaan. Ze konden elkaar echter niet luchten of zien, in hoofdzaak vanwege het feit, dat Jo vol gemene streken zat, die hij meestal op Piet botvierde. In het dorp werden ze afgeschilderd als een stel halve wilden, die nooit voor zichzelf kookten, als ze honger kregen, rukten ze in de tuin maar wat uit de grond en “vraten” het op. De enige die thans nog over is, is Fokkie, het hondje dat zo aan Piet gehecht was, dat het drie dagen voor zijn overlijden radeloos rondjes aan het lopen was rond de boerderij. Toen Piet nadat hij was overleden het huis werd uitgedragen, zat het arme beestje hartverscheurend op de stoep te janken en te gillen. Echter het hondje was tijdens Piet zijn leven al zo verwaarloost en het zat vol met vlooien, dat hij zich de haren van zijn rug beet en krabde. Inmiddels kreeg het een ander tehuis en is hij er weer helemaal bovenop gekomen. Ook een hond moet op tijd vlees te eten krijgen en dat kreeg hij bij Piet nooit ofte nimmer, want die was evenals zijn broer vegetariër. Bovendien werd er sinds zijn moeder al vele jaren geleden was overleden, nooit meer gekookt, want vader had daar totaal geen fiducie in. Kreeg vader ’s avonds laat alsnog zin in een warme hap, dan stapte hij op zijn fiets, ging naar het dorp en haalde daar een flinke lading frikadellen om ze thuis op te eten.Onderweg stolde dan die frikadellen in hun eigen vet, want hij moest met iedereen even gaan staan buurten. En hij kende iedereen en iedereen kende hem. Kwam hij nu thuis, dan waren de frikadellen, die al die tijd onder de snelbinders van zijn fiets hadden gezeten, ijskoud geworden en niemand die ze nog lustte. Piet ging er vanuit dat je van vlees kanker kreeg en dan moest je naar het ziekenhuis en daar had hij zo’n schrik van, dat hij daar zelfs nachtmerries van kreeg. Uiteindelijk werd hij toch ziek en stierf. Zijn naaste buren dachten, dat Piet ziek werd van het vele plastic dat hij had ingeademd, nadat zijn broer Jo daarmee jarenlang de kachel had gestookt en de pijp van de schoorsteen niet verder reikte dan een gat in het dak. Hierdoor sloeg de rook zo weer naar beneden het huis in. Trouwens jaren geleden liep hij eens een vergiftiging op, nadat een of ander soort onbekend landbouwgif had gespoten. Hij had bovendien geen enkele voorzorgsmaatregel genomen, hij had geen mondkapje voor en het gif droop van zijn armen weten zijn voormalige buren te vertellen. Hij is daar bovendien zo ongelofelijk ziek van geweest, dat hij gedeeltelijk verlamt raakte, en alleen nog maar in huis kon rondkruipen. Later is dat allemaal weer goed gekomen. Trouwens zijn broer Jo schepte er satanisch genoegen in, om Piet het leven zuur te maken en hem te treiteren zoveel hij maar kon. De buurt had dan ook diep medelijden met Piet, die gepest werd bij het leven. Jo sliep overdag en was s; nachts wakker. Dan zette hij zowel de televisie alsook de radio aan en dan zo hard als maar kon, zodat Piet geen oog dicht kon doen. Ook stopte hij wel eens dooie muizen in de soep van Piet en als Jo zich had geschoren, strooide hij de opgevangen baardharen uit de Philishave, in het etenspannetje van Piet. Zo zette Piet wel eens verse eieren voor iemand klaar, die ze dan later zou komen ophalen. Jo deed er dan een paar bedorven exemplaren tussen. Een doortrapt gemeen en verdorven figuur was het. Een andere buurman verteld erover: Ik was er eens een keer en toen hingen er een aantal overalls voor de kachel te drogen. Maar Jo pakte de asla van de kachel vol met gloeiende sintels en strooide die er onderuit. Hierdoor stond de hele santenkraam in no time in brand. Piet rende er heen en doofde met zijn blote armen het vuur. Ze waren zwart geblakerd van het vuur en hij heeft twee dagen met zijn armen omhoog gelopen. Hij kon er zelfs nog om lachen ook, want hij zei: Ik ben alvast wat voorgebakken, dan hebben ze straks niet zoveel werk met me in het crematorium. Piet haat Jo uiteraard ook, maar dat kwam bij hem niet zo naar buiten en hij handelde er ook niet naar. De oorzaak van die onderlinge haat kan terug gevoerd worden naar de tijd toen hun moeder nog leefde. Ze kregen weer eens ruzie met elkaar en dat eindigde in lijfelijk geweld. Hierbij werd hun moeder tegen een deur aan geduwd en kreeg daarbij de steel van een pan op een zodanige manier in haar buik, dat ze er aan is overleden. Dat bleek achteraf de schuld van Jo te zijnen vanaf die dag is Piet hem gaan haten als de pest. Piet is meer dan vier jaar bij de buurvrouw in de kost geweest, die ook voor hem kookte, want anders kreeg hij vrijwel niets naar binnen: althans niet wat een mens hard nodig heeft. Maar door het feit dat Piet zich met de opvoeding van de kinderen ging bemoeien en het vegetarisch koken een veel te zware belasting voor de buurvrouw werd, heeft ze hem dan ook gezegd. Het spijt me maar dit kan ik zo niet vol houden. Maar Piet antwoordde dat hij dat helemaal niet erg vond en dat hij heel goed voor zichzelf kon zorgen en koken. Maar dat leek achteraf niet zo’n daverend succes. Hij kwakte alles in een pan en kookte dat, het was net varkensvoer en dat at hij dan op meestal nog maar half gaar. Het gevolg hiervan was, dat hij daarna nog vaak bij de buurvrouw heeft mogen eten. En eten dat kon hij. Drie volle borden stamp, met een kop erop en daarvoor draaide hij zijn handen niet om. Ook tosti’s gingen erin als koek: twee bruinen boterhammen met dikke plakken kaas ertussen, opgevuld met schijven ui, daar was hij dol op. Kort voor hij stierf ging de buurvrouw hem nog eens bezoeken, hij kon toen al wekenlang niets meer binnen houden. Hij lag in bed en zij nog nagenietend tegen haar “Wat heb ik toch altijd lekker gegeten bij jou”. In het huis van de gebroeders was het een grote viezigheid. Altijd stond er een pannetje op de kachel, met iets erin wat op koffie moest lijken, maar het waarschijnlijk niet was. Op de tafel lagen altijd een hoop oude kranten. Later kwam daar een klein plastic zeiltje voor in de plaats. Hieronder lagen altijd vijfhonderd guldens, dat was voor als er overvallers kwamen. Die moesten dan denken, dat ze de hele buit binnen hadden. Maar behalve zijn zachtaardige eigenschappen. Had Piet ook wel enkele minder aardige gewoontes Een daarvan was, dat hij de mensen om hem heen probeerde uit te testen, zelfs zijn beste vrienden stonden daaraan bloot. Voornoemde buurvrouw zou eens een overall voor hen uitwassen en vond in een der zakken een briefje van duizend gulden. Uiteraard gaf ze het hem terug, maar ze was er van overtuigd, dat hij dat expres gedaan had. In zijn huis was het een regelrechte rotzooi, maar daarover zei hij. “Je kunt bij mij van de vloer eten: er ligt genoeg”. Op zijn bed, bestaande uit een matras, waar de roestige veren van alle kanten uitstaken, lagen een hoop koeiendekken die hij van boeren uit de omgeving had gekregen De bedoeling hiervan was dat hij die koeiendekken zou gebruiken waarvoor ze bestemd waren, maar dat gebeurde dus mooi niet, hij kroop er zelf onder. Rond dat bed lag bovendien zoveel rotzooi en rommel, dat hij er overheen moest kruipen om in bed te komen. Zowel Piet als zijn broer Jo waren geen beste boeren, hun vee werd onvoldoende verzorgd en ’s winters lieten ze de koeien aan hun lot over. Hierover hebben ze meer dan eens zowel met de dierenbescherming als met de rechter overhoop gelegen. Vooral Piet kende de rechtszaal van binnen en van buiten. De koeien hadden zelfs nog niet eens een afdak waar ze bij slecht weer onder konden gaan staan, meer dan eens hebben ze aan de rechter moeten beloven, om een afdak te bouwen waaronder de dieren beschutting zouden hebben tegen regen, sneeuw en kou. Nooit echter hebben ze die beloften ten uitvoer gebracht. Ook de afrastering liet veel te wensen over, regelmatig braken de koeien ’s nachts uit de wei en dan moesten de boeren uit de omgeving hun bed uit om ze te gaan vangen en terug te drijven. Maar ondanks dat ze broodmager waren, was er nooit een zieke koe in huize “Van Engelen” evenmin stierf er ooit een aan ondervoeding of aan een andere enge ziekte. Ook hier gold blijkbaar het spreekwoord “de stomste boer heeft de grootste aardappelen”. In de laatste winter van Piet zijn leven, was hij reeds ernstig ziek. Zijn benen waren paars en zijn grote tenen waren helemaal gezwollen en totaal gespleten, hij had er een oude krant omheen gedraaid en liet er nu en dan de hond aan likken. En men kan het geloven of niet “het werd voor hij stierf allemaal toch weer goed. Piet kwam nooit in de kerk of kluis en ook toen hij was gestorven wilde hij onder geen beding een uitvaartmis. Via het crematorium is hij tot stof weder gekeerd. Tijdens hun leven hadden de gebroeders van Engelen enorme grote stukken grond. Die ze nu en dan te gelde maakten en waarvoor ze ook gigantische bedragen moeten hebben ontvangen. Toch heeft men na hun dood ’Slechts”een half miljoen gulden terug gevonden, welk bedrag in het kippenhok onder het voer lag weggeborgen en van Piet afkomstig was. Op het erf van de boerderij heeft men, onder de grond ruim 125 kilo zuiver zilver gevonden, dat daar door broer Jo tijdens zijn leven begraven was. Het gonst nu in Vlijmen van de geruchten, dat er nog veel meer geld moet zijn. Waar dat gebleven is weet echter niemand. Thans wijst men in het dorp met zijn allen met een vinger naar een man de enige erfgenaam van de gebroeders van Engelen. Volgens de goegemeente zou hij wel weten waar al het geld gebleven is. Maar of het waar is?, wie het weet mag het zeggen, deze betreffende man zwijgt echter als het spreekwoordelijke graf en gelijk heeft hij. Slechts een persoon in het dorp Vlijmen heeft thans nog een erg schrijnende herinnering aan Piet van Engelen. De echtgenoot van de vrouw die Piet altijd zo goed heeft verzorgd en hem tijdlang in de kost heeft gehad. Hij zegt hierover: Dat d’n bakker al zijn geld heeft geërfd dat interesseert mij totaal niets. Maar dat ik nooit een stuk grond in de polder ter grote van 10 hectaren van hem heb kunnen kopen dat zit me dwars. Hij wist dat ik het heel graag had en dat ik er bovendien meer voor wilde betalen dan hij er later voor heeft gekregen. Maar hij gunde het mij niet en verkocht het echter aan een ander en dat vergeef ik hem nooit. Zo ziet men maar weer: “Ondank is ’s werelds loon “

 

Bron: Met gansen trou.

Terug naar boven

 

 

 

  • Pagina's

  •