v1

De manden van Vlijmen

Intervieuw mwt tinus de vaan in 1980

tinus

v1

Achterstraat, Wolput, Meliestraat, Julianastraat en de vroegere Kerkstraat  ze zijn er nog, maar weg zijn d bomen, weg is de sfeer. Straten zonder ziel zijn het nu. Het waren wegen die hun eigen weg gingen, vandaag worden ze lineaalrecht gecreëerd op de tekentafel. Kil en onpersoonlijk. Twee begrippen waarvan men in het Vlijmen van toen geen weet had.
Dit is een verhaal uit het Brabantsdagblad van 29 november 1980 en we praten met oud-boer en tuinder en raadslid Tinus de Vaan( Tinus van Bartje de boer) . Praten over Vlijmen, betekent voor hem met heimwee terug blikken naar het Vlijmen in de eerste helft van de vorige eeuw. Maar heus niet alleen terug zien naar Vlijmen, als was het een mirakel in een goede oude tijd. Want ofschoon Vlijmen landschappelijk een plaatje was. En woorden als liefelijk en idyllisch de waarheid geen geweld aan deden. Het financiële leefklimaat was er alles behalve ideaal. Superlatieven om het sociale klimaat te prijzen zijn daarom niet alleen onjuist, maar zelfs volkomen misplaatst. Op een enkele uitzondering na om ze te tellen had je aan de vingers van  een hand genoeg- balanceerde men in Vlijmen op de rand van het bestaansminimum.
Geregeerd.
Vlijmen werd geregeerd door een kleine groep, met een groot woord industriëlen genoemd, ze deden alles zo verteld Tinus de vaan, om hun goedkope werkkrachten te behouden. “Hun”arbeiders die in de gemeenteraad zaten hadden de opdracht om altijd tegen vestiging van werkgelegenheid van buiten Vlijmen te stemmen. Vlijmen had zijn eigen werkgelegenheid mandenmakerijen en looierij, daar kon men werken, voor lonen die de “de groep” bepaalde. Zo kon het gebeuren dat nog kort voor de oorlog een 14 jarige jongen vier maanden aan een stuk voor slechts 2,48 gulden per week werkte, terwijl hij 3,60 gulden had moeten verdienen. Gelukkig kon dat via de bond worden rechtgetrokken. De moeder van de jongen die er iedere week vijftien wassen bij deed om de touwtjes aan elkaar te knopen, had nog nooit zoveel geld bij elkaar gezien. Om voor die tijd een echt weekloon te verdienen gingen steeds meer mannen op de fiets naar Oisterwijk, Waalwijk of Den Bosch. In Vlijmen kwam je rond 1935 nooit boven de 12 gulden per week. Bij De Gruyter in Den Bosch kon je 15 gulden verdienen. Maar om daar te komen had je wel de hulp van de Bisschop nodig. Zoveel liefhebbers waren er herinnerd Tinus de Vaan zich.
Invloed
De invloed van “de groep” was op een gegeven moment zelfs beangstigend. Zo gebeurde het een keer dat een baas zijn knecht s’morgens om half zeven in zijn eigen tuin bezig had gezien. Nog die zelfde dag riep de baas die knecht ter verantwoording. Hoe die knecht het in zijn hoofd haalde om s’morgens in zijn eigen tuintje te gaan werken, en of hij nu maar voortaan om half zeven in plaats van zeven uur bij de baas kwam werken en dat voor geen cent meer dan de negen gulden die toen als weekloon golden. Begrijpelijk dat ontevredenheid de kop op stak. Zo kregen de arbeiders van een mandenmakerij een keer met Kerstmis een stuk spek (het goedkoopste onderdeel van het varken ) was evenwel zo vet dat de volgende morgen al die stukken spek aan de klink van de bedrijfsdeur hingen.
Boeren en tuinders.
De Vlijmense bevolking bestond voor een zeer belangrijk deel uit boeren en tuinders. In Vlijmen woonden de boeren bij wijze van spreken huis aan huis. Men had twee of drie koetjes en deed er een beetje bij tuinnieren. Alles werd met de hand gedaan. Er werd niet gerekend. Van een begroting had man nog nooit gehoord, er werd alleen gewerkt. Wie geen drie of vijf hectaren grond had en geen koe achter het huis, werkte als klompen of mandenmaker of in de leerlooierij. Tinus de Vaan: Het was in die vooroorlogse jaren zeer slecht gesteld. Er moest altijd worden gewerkt, 365 dagen per jaar, ieder uur van de dag. En dat niet alleen door vader. Bij ons thuis hadden we een groot gezin. We hielpen altijd mee, dat was bittere noodzaak. Zelfs de schoolvakantie was er om thuis te werken. Toen gingen de mensen niet op vakantie. Als de jongens of meisjes thuis een dag gemist konden worden dan maakte ze zich elders voor een gulden of een gulden twintig per dag verdienstelijk. De meisjes door bijvoorbeeld elders de was te doen en de jongens met allerlei klusjes rond de boerderij.
Banden stropen.
De tien of twaalf dubbeltjes werden niet alleen in huize de Vaan met gejuich begroet. Iedereen verdiende er wel wat bij. Zo sneden de boeren jongens op de gemeente gronden in het Ven het griendhout voor de mandenmakerijen. En de vrouwen van de manden makers stroopte de banden (de bast van het griendhout halen) bijzonder zwaar werk. Het zweet stond ze dan in de klompen zo weet Tinus de Vaan te vertellen. Op een in de grond verankerde paal zaten twee ijzeren pinnen waar doorheen de takken getrokken moesten worden om zo de bast van het griendhout te scheuren. Het bloed stond de vrouwen in de handen. Omdat dit “werkje” meestal bij huis gebeurde, hielpen de kinderen mee de losgescheurde bast van de takken te trekken. Zelfs de hulp van drie en vier jarige werd dankbaar aanvaard want om aan een daggeldje van een daalder te komen moest heel wat griendhout door de bandenstroop worden getrokken.
Manden maken.
Het maken van manden was een belangrijke bron van inkomsten in Vlijmen. Je had in Vlijmen nogal wat mandenmakerijen, grote met 70 tot 80 man personeel, zoals van Wagenberg-Festen, en een mans bedrijfjes, er is een tijd geweest dat in Vlijmen zo’n 400 mandenmakers werkte. Ze verdiende hun brood bij Verboord aan de Achterstraat, Van Iersel-Van Buul aan de Wolput, Dekkers (Burgemeester Zwaansweg) Van Wagenberg –Van Beurden (Julianastraat) Jan Pulles (Akker) Harrie Wolfs (heidijk) Wethouder Piet van Buul en Pijnenburg (Wolput) Dries Oremans (Provinciale weg)  De Heer aan de Heistraat en Kees van Helvoort aan de Meliestraat. Typisch vrouwenwerk was het plukken van kruisbessen en aalbessen, rode witte en zwarte bessen, de vrouwen konden daarmee zo'n twee gulden per dag verdienen. Maar die kregen ze niet voor niets Vooral het plukken van de kruisbessen was door de aanwezigheid van duizenden kleine venijnige doorntjes geen onverdeeld genoegen. Om schrammen aan handen en armen zoveel mogelijk te voorkomen moesten de leeg geplukte takken achter het lichaam worden gehouden. Toen een keer het waarom daarvan aan een nieuwelinge in het plukkerslegertje werd uitgelegd reageerde ze met “ik laat me niet prikken in mijn taart”.
Markt.
Tinus de Vaan is op 29 maart 1912 geboren op de Ipperhoeven. Zijn vader heette Gijsbertus (Bartje) de Vaan. Hij was boer en tuinder en ging, zoals zo vele boeren uit Vlijmen met zijn land en tuinbouw producten naar de markt in Den Bosch. Hij weet nog dat daar voor iedere groenten drie cent staangeld moest worden betaald. Geleverd werd natuurlijk ook aan de veiling, de spinazie bracht daar wel eens elf of twaalf cent de kilo op, Maar het kwam meer voor dat de prijs tussen de drie en acht cent schommelde. Een keer kregen ze voor een partij bonen van 300 kg 180 hele centen. Een bekend Vlijmens tuinbouw product was en is nog de Vlijmense krombek. Een bijzondere mooie erwt. Als bekende groente van Vlijmense boden mogen ook tevens worden aangemerkt Duitse bonen of te wel kossebonen, prinsessenboontjes en spruiten. Van betekenis voor de tuinbouw in Vlijmen was bovendien de aspergeteelt, Iedere boer of tuinder had wel een stukje grond waarop deze edele groentesoort werd geteeld.
Hopteelt.
Geheel verdwenen is de hopcultuur. In de jaren voor 1940 toch een stuk werkgelegenheid van importantie. Geleverd werd op contract via de tussenhandel aan de bierbrouwerijen. Als het met de handel wat minder goed ging  wisten de heren tussenhandelaren het altijd wel zo te draaien dat niet zij maar de telers het financiële offer brachten, dan was het zo dat de kwaliteit van de hop niet goed was. De hop nodig voor de typische en pittige smaak van het bier werd in Vlijmen zelf gedroogd, dat gebeurde in huisjes van drie bij vier meter, in het midden brandde een vuur en daarboven lag op rekken het te droge hop. Jacobus Kuijs beter bekent als Koop en Piet van Kuijk beide wonende aan de Wolput  waren de laatste hoptelers van Vlijmen., Hoptelers van naam waren tevens Frans van der Wiel aan de Voordijk  en Hannes van der Wiel aan de korte Heistraat. Als de hopoogst binnen was volgde “de Hoplast”Dat was een uitgebreide maaltijd waaraan iedereen mocht aanzitten, die had meegeholpen met het oogsten van de hop. Meestal bestond het feestmaal uit rode kool met aardappelen en ribbetjes. Als toetje kwamen er gebakken zoete aardappeltjes op tafel. Met van die bruine korstjes.
Klompenmakers.
Vlijmen had ook zijn klompenmakerijen. In herinnering bij Tinus de Vaan leven nog Doruske  Keetels en Cees Coppens. Beide hadden een bedrijfje aan de Nieuwkuijksestraatweg . En dan waren er natuurlijk de touwslagerij van Toontje van Buul aan de Wolput en het controfortfabriekske van burgemeester van der Ven aan de Achterstraat. Zoals het een dorp dat als de poort van de Langstraat door het leven gaat betaamd had Vlijmen tevens enkele leerlooierijen. Een grote van Van Wagenberg –Festen  aan de Wolput en de tweede leerlooierij behoorde toe aan twee vrijgezelle broers Gerard en Hubert van Heesbeen. Hun bedrijfje stond aan de Meliestraat. Over goede openbare verbindingen had Vlijmen niet te klagen. Er was een stoomtram die via Vlijmen de verbinding tussen Waalwijk en Den Bosch onderhield In de volksmond heette de tram “de goede moordenaar. Dat goede is niet helemaal duidelijk. Want bekent is dat Driekske van Hoven in Kaatsheuvel toen hij op zijn bed lag is doodgereden door een stoomtram. Het verhaal gaat dat Driekske vanwege het drukke verkeer niet meer op straat kwam. Voor de nodige consternatie zorgde de goede moordenaar op zeven oktober 1923 in Vlijmen  om kwart voor twaalf reed hij die dag bij bakker Willen de Wijs aan den Akker naar binnen. Mina de Wijs had net de tafel gedekt en was op weg naar de bakkerij om haar broer Willem voor de koffie te roepen. Gelukkig vielen er toen geen slachtoffers. Wel was de ravage erg groot.
Het spoor.
Vlijmen lag ook aan het spoor. Aan de lijn Den Bosch –Lage Zwaluwen. Tot 1890 reed de trein vanuit Lage Zwaluwen niet verder dan Vlijmen. Daarna kon men met de trein naar Den Bosch. Het personenvervoer vanuit Vlijmen werd in 1950 gestaakt. Aan een lange periode, in 1886 begonnen, kam daarmee een eind Behalve bij het in 1884 gebouwde en inmiddels afgebroken station van Vlijmen stopte de trein bij de Heidijk, daar was een heus houten stationnetje , De laan naar Onsenoord en aan de Kerkstraat in Nieuwkuijk. Onderwijs werd in Vlijmen gegeven door de zusters van J.M.J en de fraters De zusters woonde in het in 1967 afgebroken klooster aan de Julianastraat. Het heette toen daar nog kerkstraat. Ze vingen overigens niet alleen de meisjes in hun lagere school op. De nonnekes hadden tevens een bewaarschool. Daarnaast hadden ze de zorg over bejaarden in het Franciscus Xaveriusgesticht. De zusters zijn al weer enige tijd weg uit Vlijmen. De fraters hebben Vlijmen eveneens verlaten. Op enkele maanden na hebben zij in Vlijmen een halve eeuw onderwijs gegeven aan de jongens. Op 28 december 1905 waren de fraters op verzoek van de toenmalige pastoor Ras naar Vlijmen gekomen. Het fraterhuis en de school stonden aan de wilhelminastraat. De fraters deden tevens veel heilzaam werk in het patronaat Vooral op Zondagen was het een opvangcentrum voor de jongens uit Vlijmen. Verder was er voor de jeugd in Vlijmen eigenlijk weinig te beleven. Er was de jaarlijkse kermis maar daar stond niet zo veel voor de jeugd. Een mallemolen en een schommel. Dat was het wel zo0’n beetje. Kermis in Vlijmen betekende meer een dansfestijn. Er waren veel grote danstenten, terwijl er ook in ieder café kon worden gedanst. Een bijzondere plaats nemen in Vlijmen de schutsen in. Er zijn drie schutsen, te weten de Lieve vrouwen Schuts , ST Barberaschuts en de st Catharinaschuts. Het zijn schutsen met een oude traditie. Respectievelijk  opgericht  in 1320, 1425 en 1469. Ofschoon de goede oude tijd voor Tinus de Vaan nooit behoeft terug te komen betreurd hij het dat zoveel moois uit die tijd verloren is gegaan. Zo sierden eens drie molens het landschap van Vlijmen , die aan de Akker en de Julianastraat zijn verdwenen, nog fraai te wezen staat de Emmamolen te Nieuwkuijk het is een stellingkorenmolen die gebouwd werd in 1886. De fraaie katholieke kerk  St Jans Geboorte is nog maar juist uit de handen van de sloper gered kunnen worden. Een neogotische kerk met toren, door aannemer van Mierlo uit 1886 gebouwd en ontworpen door architect H.C. Dobbe van Pelt. Bijzonder trots is men in Vlijmen op het bedehuis van de Nedelandse hervormde kerk dat in zijn oorspronkelijke vorm van voor 1285 dateert.
Konijnenberg.

Niet meer zijn er de heidevelden  Lage Heide, Hoge Heide en Middel Heide, menig herder heeft daar met zijn schapen rond gedoold. Heel bekent was de Konijnenberg. In 1880 heeft de berg nog gediend als vluchtheuvel. In dat jaar brak namelijk de Heidijk door en hebben vele door het water verdreven Vlijmenaren daar rust gevonden. De Konijnenberg is afgegraven. Evenals de omringende heidevelden. Waar eens  de schapen liepen staan nu huizen, honderden en rijen aaneen. Een aparte wijk is daar ontstaan, met een eigen naam “De Vliedberg” , een begrip dat wel maar het roept weinig herinneringen op aan het Vlijmen van toen zoals dat Tinus de Vaan voor ogen staat.

 

v1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  • Pagina's

  •