v1

"Het leven in een dorp"

door Luc Alosery

 

Photobucket

v1

 " Het leven in een dorp"

Bijna alles was te krijgen in het dorp Vlijmen: den ouwe Schaai bracht als melkboer zijn losse melk en pap rond, Jan van Halder bracht het brood en Piet de Gruijter de boodschappen. Als je wat te kort kwam ging je nog even naar Pietje Kappen ’t kruidenierke in de Burg. van de Venstraat. Gerritje Moonen bezorgde de Donald Duck en Jo Hoorn kwam met groenten en fruit rond. Bartje Oremans haalde de huur op. Van de Zande, ’t Voetske en het Kindje Jezus waren de politieagenten, die met z’n drieën alles in Vlijmen in de gaten probeerden te houden. Als er iemand dood was kwam Van Kessel dat rondzeggen. Bij Jo Hagen of  bij Polleke  kon men zich verzekeren en Marinus Noten bezorgde de eierkolen voor de platte buiskachel, bij Jos van Saartjes kon je terecht voor flessen butagas. Mocht er nieuws zijn, dan riep Buikie, den dorpsomroeper, dat om.
Men kon ook naar de film in Vlijmen, want daar was een prachtige bioscoop. Na afloop naar de cafetaria van Bertuske Verbunt voor een frietje van 15 cent met voor 5 cent mayonaise; of voor een kroketje uit de automatiek van Neervens op ’t Plein.
Voor de ouderen die dorst hadden waren er zo’n 10tal cafés: Mopke Dekkers, Pietje Den Engel, Maantje van den Dungen, De Kwikkert, De Witte, Harrieke Lammers, Den Braai, Bertus de Woel, Pietje Gevers en de Vloei.
Ook waren er twee brouwerijen: De Valk en ’t Hert. Twee heel bekende snoepwinkeltjes met Drika Schouten aan de Mommersteeg en Sientje Janboers op den Akker. De dokters Martens en Verhoeven waakten over onze gezondheid.
Al was er onder de gewone mensen geen rijkdom toch hadden wij het gevoel dat we niks tekort kwamen en er was een grote saamhorigheid onder de mensen. Er werd wat afgebuurt onder elkaar en als het mooi weer was zat iedereen ‘s avonds voor het huis op straat en dan kwamen er altijd verhalen los, de een nog mooier dan de ander. Iedereen had, ondanks het weinige dat men had, toch plezier. Natuurlijk was er ook wel eens ruzie maar dat werd altijd vrij snel weer bijgelegd .In de winter was het geen pretje om in een noodwoning te wonen. Dan werden ‘s avonds alle jassen bij de kinderen op het bed gelegd, zodat ze nog enigszins warm bleven. Ons vader ging al in het najaar naar de duinen om hout te sprokkelen voor de stook en er werden ook dennenappels geraapt. Die waren voor het aanmaken van de kachel. Het was voor vader hard werken om met veel takken en een paar zakken dennenappels op de fiets vanaf Cromvoirt weer door het Ven in Vlijmen te komen. Maar het was zeker de moeite waard om in de winters lekker te kunnen stoken, zodat je heerlijk bij de gloeiende kachel kon zitten. Want daar werden de sterke verhalen verteld  waarvan we zo konden genieten.
Zoals het verhaal van het zilveren been. Er leefde vroeger in Vlijmen een rijke boer die door een ongeluk zijn been was verloren. Omdat hij heel rijk was heeft hij toen een zilveren kunstbeen laten maken. Toen hij later de pijp uit ging, is hij begraven met dat zilveren been. In de kroeg spraken enkele mannen elkaar moed in om het lijk op te graven en het zilveren been te stelen Zij gingen op weg naar het kerkhof (de verteller sprak hier heel zachtjes). Het was pikdonker en men kon geen hand voor ogen zien. Op het kerkhof stak een van de mannen een carbidlamp aan en zo kon men het graf vinden. Meteen gingen ze aan het graven en al snel vonden ze de kist. Ze opende de kist en stalen het zilveren been. Ze gooide de kuil weer dicht en gingen op huis aan. Maar onderweg hoorden ze ineens een stem die riep: ”Waar is mijn been, waar is mijn been?“. In paniek begonnen ze hard te rennen, maar de stem bleef ze maar achtervolgen met “Waar is mijn been? “ En dan ook nog heel, heel hard: “mijn zilveren been”, en bij het woord zilver sloeg de verteller heel hard op tafel zodat iedereen zich rot schrok. Als je later naar bed ging, kroop je van schrik snel onder de dekens van de angst.
Het wonen in een dorp had natuurlijk ook zijn nadelen, want iedereen kende iedereen. Als je weer eens wat had uitgespookt dan wist je moeder het al voordat je thuis was en dat was dan meestel niet leuk. Moeder keek dan heel boos en zei wat heb jij nu weer uitgespookt? . Ik snapte alsmaar niet hoe zij wist wat ik gedaan had. Als ik dat dan aan haar vroeg zei ze altijd dat ze een zwarte kraai had die mij in de gaten hield. Nog lang heb ik altijd als ik wat uitspookte eerst in de lucht gekeken of ik die zwarte kraai niet zag die mij zou verraden bij mijn moeder.

Luc Alosery.

 

 

v1

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

  • Pagina's

  •